Ga naar hoofdinhoud

Hoefsmid

Hoe ziet de anatomie van de hoef eruit?

De binnenkant van de hoef

Wanneer de anatomie van de hoef wordt bekeken zijn er meerdere botten te zien. Het hoefbeen en het straalbeen worden helemaal als hoefbot beschouwd. Van het kroonbeen wordt alleen het onderste deel als hoefbot meegerekend. Het straalbeen maakt samen met de diepe buigpees, slijmbeurs, straalbeen-ligamenten en hoefgewrichtskapsel deel uit van het hoefkatrolmechanisme. Dit mechanismen zorgt ervoor dat de hoef aan de voorkant niet omhoog klapt. Het hoefkatrol wordt zo genoemd omdat deze de werking heeft van een katrol. De diepe buigpees zit bevestigd aan de onderkant van het hoefbeen. Deze pees loopt als een kabel over de achterkant van het straalbeen. Hierdoor ontstaat er een katrol werking.
Verder bestaat de binnenkant van de hoef nog uit kraakbeen en een straalkussen. Dit straalkussen zorg voor schokabsorptie in de hoeven. De inwendige delen van de hoef zitten verpakt in een soort bindweefsel bestaande uit grote hoeveelheden bloedvaten en zenuwen. Dit bindweefsel wordt ook wel corium genoemd.

Het bloed dat de hoef binnenkomt wordt aangevoerd door 2 slagaders. Het hoefmechanismen is belangrijker voor de doorbloeding van de hoef dan de hartslag, dit komt omdat paarden geen spieren hebben zitten in het onderbeen welke kunnen helpen met het rondpompen van het bloed. Het hoefmechanisme werkt door beweging van het paard. Wanneer een paard zijn voet neerzet, wordt de zool platter door het gewicht. Hierdoor wordt het bloed in de voet uit de hoef geduwd. Wanneer een paard zijn voet weer optilt, zet de hoef uit doordat de druk wegneemt. De hoef wordt zo iets groter van vorm. Hierdoor ontstaat er een zuigende werking. De hoef stroomt vervolgens vol met bloed. Het neerzetten en weer optillen heeft het effect van een pomp waardoor het bloed de hoef in- en uitstroomt. De binnenkant van de hoef bestaat verder nog uit pezen, ligamenten, het zadelvormig hoefgewricht en zenuwen.

De onderkant van de hoef

De onderzijde van de hoef, de hoefwand, wordt onderverdeeld in verschillende gebieden. Van voor naar achter heten deze gebieden respectievelijk: toon, kwartieren, verzenen en steunsels. De hoefwand is opgebouwd uit twee lagen, een donkere gepigmenteerde buitenlaag en een witte ongepigmenteerde binnenlaag, ook wel waterlijn genoemd. Verder bestaat de onderkant van de hoef uit een straal. Een goede straal bedekt tweederde van de lengte van de hoef. Een straal zorgt voor schokdemping en speelt een cruciale rol bij de werking van het hoefmechanisme. Aan de onderkant van de hoef is ook een witte lijn te zien. Dit is de verbinding tussen de hoefwand en de interne hoef. De zool van de hoef bedekt de oppervlakte van de hoefwand tot aan de straal. De buitenste rand van de zool zorgt voor draagkracht.

De buitenkant van de hoef

De hoefcapsule, de buitenkant van de hoef, vernieuwt zichzelf constant en verpakt en beschermt de gevoelige binnenkant van de hoef. Aan de bovenkant van de hoef is de kroonrand te zien, vanuit hier groeit de hoefwand naar beneden. Op de hoefwand is een wasachtige laag zichtbaar, periopel genaamd, dit laagje beschermt de buitenkant van de hoef. De hoefwand zelf bestaat voornamelijk uit keratine, een soort eiwit.

Hoe wordt een hoef beoordeeld?

Om een hoef te beoordelen wordt gebruik gemaakt van de voetas. De voetas is een denkbeeldige lijn die door drie gewrichten wordt getrokken. Deze gewrichten zijn het hoefgewricht, kroongewricht en het kootgewricht. De lijn loopt evenwijdig met de voorzijde van de hoornwand. De hoefhoek, de hoek die de hoef maakt met de grond, is in een ideale situatie ongeveer 45 tot 50 graden. Als de voetas afwijkt van de ideale stand wordt er gesproken over een gebroken voetas, de denkbeeldige lijn is dan gebroken. Bij een ideale voetas worden pezen, banden en gewrichten zo min mogelijk belast. Een gebroken voetas kan dus leiden tot blessures of overmatig slijten van het lichaam. Het is dus zeer belangrijk dat de hoefsmid afwijkende voetassen corrigeert. Dit kan door middel van correct bekappen of aangepast beslag.

Welke afwijkingen zijn er mogelijk wanneer er sprake is van een gebroken voetas?

De afwijkingen die mogelijk zijn wanneer er sprake is van een gebroken voetas zijn: Weke hoef, bokhoef, steltvoet, weke voetas, steile voetas en beervoetige stand.

Weke hoef
Bij een weke hoefstand is de hoek die de hoef met de grond maakt kleiner dan 45 graden. De voetas is in het hoefgewricht naar achteren gebroken. De hoeven hebben een lange toon en korte verzenen.

Bokhoef
De hoefhoek bij een bokhoef is groter dan 50 graden. De voetas is, in tegenstelling to bij een weke hoef, naar voren gebroken. De verzenen zijn bij deze paarden juist erg lang.

Steltvoet
De hoekhoef is ook bij deze hoefstand groter dan 50 graden. De voetas is zeer sterk naar voren gebroken.

Weke voetas
De hoek die de koot, kroon en hoef met de grond maken is kleiner dan 45 graden. Ook is de koot van deze paarden erg lang.

Steile voetas
Het tegenovergestelde van een weke voetas is een steile voetas. De hoek die de koot, kroon en hoef maken met de grond is groter dan 50 graden.

Beervoetige stand
De hoefhoek die de hoef maakt met de grond is groter dan 50 graden. De voetas is in het hoefgewricht naar voren gebroken, en in het kootgewricht naar achteren gebroken.

Wat is een afwijkende beenstand?

Er wordt van een afwijkende beenstand gesproken wanneer een paard niet voldoet aan het ideaalbeeld. Een afwijkende stand is echter niet altijd meteen een foute stand. Dit hangt af van de mate van de afwijking en de belasting van het paard. Een ideale beenstand is wanneer er een loodlijn getrokken kan worden vanaf het schouderblad door de onderarm en de pijp tot achter de hoef. De lijn raakt de boven achterzijde van de hoefbal. Bij een ideale beenstand is de breedte tussen 2 hoeven ongeveer 1 hoefbreedte breed. Een ideale beenstand wordt zelden aangetroffen.

De beenstand heeft invloed op de manier van bewegen, de soepelheid van de beweging, de ruimte in de gangen en het gemakt waarmee een paard beweeg. Een afwijkende beenstand heeft invloed op de pezen, banden en gewrichten in een paardenbeen. Pezen en banden worden extra belast en gewrichten kunnen ongelijkmatig slijten. Hierdoor kan een paard last krijgen van afwijkende beenstanden.

Je kunt beengebreken beoordelen vanaf de voorkant, achterkant en vanaf de zijkant. Voorbenen worden vanaf de voorkant beoordeeld, en achterbenen worden vanaf de achterkant beoordeeld. Zowel voor- als achterbenen kunnen vanaf de zijkant worden beoordeeld.

Bij een normale beenstand van de voorbenen, vanaf voor bekeken, wordt een loodlijn uit het midden van de boeg naar beneden getrokken en moet deze door het midden van het been gaan en ook in het midden van de hoef de grond raken. Hiervoor moet het paard vierkant worden opgesteld op een harde ondergrond. Bij een normale beenstand van de achterbenen, wordt een loodlijn naar beneden getrokken vanaf het zitbeen, midden door het dijbeen, de schenkel, en pijpbeen. De loodlijn moet achter de hoef de grond raken. Ook voor het beoordelen van de beenstand van het achterbeen moet het paard vierkant worden opgesteld op een harde ondergrond.

Wanneer het voorbeen vanaf de zijkant wordt beoordeelt loopt er een loodlijn door onderarm, voorknie, en pijpbeen tot de kogel. Deze moeten in elkaars verlengde liggen. Wanneer een achterbeen vanaf de zijkant wordt beoordeelt wordt er een loodlijn getrokken vanaf het heupgewricht en komt deze in het midden van de hoef terecht.

Wat voor beengebreken zijn er?

Wanneer een paard niet voldoet aan dit ideaalbeeld wordt er dus gesproken van een beengebrek. Er bestaan verschillende beengebreken.

Beengebreken van voor/achter gezien:

Franse Stand
Bij de Frans stand, ook wel Toe-out genoemd, staan de hoeven naar buiten gericht. De voetas is recht maar in zijn geheel naar buiten gedraaid. Deze paarden staan vaak binnendoor en week. De hoef heeft vaak een lange buitentoon en korte binnen verzenen. Een mogelijk gevolg hiervan is dat paarden kunnen gaan strijken.

Toontredersstand
De Toontredersstand, ook wel Toe-in genoemd, is het tegenovergestelde van de Franse Stand. De hoeven staan naar binnen gericht. De voetas is recht maar in zijn geheel naar binnen gedraaid. Deze paarden staan vaak buitendoor en steil. De hoef heeft vaak een lange binnenkant en korte buiten verzenen. Paarden met een toontredersstand kunnen maaiende gangen vertonen.

Bodemwijd
Bij bodemwijd staan de hoeven ver uit elkaar, de benen van het paard staan boven meer uit elkaar dan beneden. Hierdoor wordt de binnenkant van de hoeven overbelast. Ook de gewrichten aan de binnenkant van het been slijten eerder. De buiten helft van de hoeven is groter en ruimer, de binnen helft van de hoeven is kleiner en nauwer.

Bodemnauw
Het tegenover gestelde van bodemwijd is bodemnauw. De hoeven staan te dicht bij elkaar, hierdoor wordt de buitenkant van het been overbelast. De beenassen lopen naar elkaar toe en de afstand tussen de linker en de rechterhoef is kleiner dan een hoefbreedte. Ook bij deze paarden is er een kans op strijken.

Wijd in de knieën
Bij wijd in de knieën staan pijpbeenderen naar buiten. De lijn tussen de onderarm en de pijp is naar buiten gebroken in de voorknie. De afstand tussen de knieën is groter dan de afstand tussen de hoeven. Hierbij wordt de binnen helft van het gewricht sterk belast en de buiten helft eerder gerekt. De gang is niet regelmatig en de benen worden dikwijls met een maaiende gang vooruit gebracht.

Nauw in de knieën
Nauw in de knieën wordt ook wel X-Benig genoemd. De denkbeeldige lijn die door het opperarmbeen en de pijp loopt is niet recht maar buigt ter hoogte van de knieën naar binnen. De buiten helft van de gewrichten wordt sterk belast. De binnen helft van de gewrichten wordt opgerekt. De gangen van deze paarden zijn meestal klein en onregelmatig. De kans op strijken is groot. De buitenhelft van de hoeven is groter en wijder. De binnen helft van de hoeven is kleiner en smaller.

Nauwe stand
De benen staan gelijk, verticaal aan elkaar, maar staan te dicht bij elkaar. Verschil met nauw in de knieën is dus dat bij nauw in de knieën de lijn niet recht loopt, en bij een nauwe stand wel. De kans op strijken is bij deze paarden aanzienlijk.

Wijde stand
Bij deze stand staan de benen ook gelijk, verticaal aan elkaar, maar juist te ver van elkaar af. Verschil met wijd in de knieën is ook hier weer dat de lijn wel recht loopt.

O-Benig
De lijn die denkbeeldig door de onderarm en de pijp getrokken is, is naar buiten gebroken ter hoogte van de voorknie. Wanneer we spreken over het achterbeen is te zien dat de spronggewrichten naar buiten zijn gedraaid. De binnenhelft van de gewrichten wordt sterker belast dan de buiten helft. De buitenhelft kan zelfs iets worden opgerekt. Ook deze paarden vertonen regelmatig een maaiende beweging. De gang is niet regelmatig.

Koehakkig
Bij een koehakkige beenstand zijn de sprongewrichten naar binnen gedraaid en komen hierdoor de hoeven naar buiten gedraaid te staan. Dit veroorzaakt een abnormale gewichtsverdeling in het sprongewricht. Dit kan spat veroorzaken.

Beengebreken zij-aanzicht:

Gestrekte stand
Bij deze stand zijn de paardenbenen voor de loodlijn geplaatst. Bij deze stand is de kans op overbelasting van de achterste helft van de gewrichten, buigpezen en banden aanzienlijk. Wanneer de gestrekte stand zich in de achterbenen bevindt is er kans op overbelasting van rug en lendenen.

Onderstandige stand
Deze stand is het tegenovergestelde van de gestrekte stand. Bij deze stand zijn de paardenbenen achter de loodlijn geplaatst. Wanneer de voorbenen onderstandig staan zullen deze een groter gedeelte van het lichaamsgewicht dragen. Dit resulteert in een extra belasting op spieren, pezen en gewrichten. Ook is er kans dat het paard eerder struikelt. Klappen in de ijzers is iets wat eigenaren opvalt wanneer een onderstandige stand voorkomt aan de voorbenen.

Bokbenige stand (bol in de knie)
De lijn vanaf de elleboog door de onderarm en pijp is naar voren gebroken in de voorknie. Deze stand kan zowel aangekregen als aangeboren zijn. Paarden die op jonge leeftijd zwaar werk moeten verrichten hebben een grote kans op bokbenige stand. Bokbenige stand kan een extra belasting veroorzaken in strek- en buipezen.

Hol in de knieën
Hol in de knieën is het tegenover gestelde van bokbenige stand. Enkel is deze lijn nu niet naar voren gebroken in de voorknie maar naar achter. Ook deze stand kan aangeboren of aangekregen zijn. Ook deze stand veroorzaakt een extra belasting in strek- en buigpezen.

Steile stand
De hoek in het spronggewricht is groter dan 160 graden. De gangen van deze paarden zijn over het algemeen kort, dit komt doordat er onvoldoende in het spronggewricht geveerd kan worden.

Sabelbenig
Bij deze stand is de hoek in het spronggewricht kleiner dan 145 graden. De hiel bij paarden met een sabelbenige beenstand ligt achter de lijn. De hoef ligt voor of in de lijn.

Bronnen: Paarden-blaadjes, Hoefsmederij-Nijeberkoop, Hoefsmederij Kluiters, Hoofcare, Paardenhoeven