Ga naar hoofdinhoud

Gebitsverzorging

Wanneer moet een paard naar de tandarts?

Wanneer een paard naar de tandarts moet, is erg afhankelijk van de leeftijd van het paard en de voeding. Gebitsproblemen hebben een grote invloed op de gezondheid van een paard. Ook tijdens het rijden kan een paard last krijgen wanneer het gebit niet tijdig is behandeld. Daarom is het belangrijk gebitsproblemen tijdig aan te pakken.

Veulens moeten regelmatig gecontroleerd worden tijdens het eerste levensjaar. Zo kunnen afwijkingen al in een vroeg stadium geconstateerd worden en kan tijdig worden besloten welke behandeling hier het best bij past. Een jaarling kan juist last krijgen van scherpe hoeken en randen aan de tanden. Dit is erg pijnlijk en kan de binnenkant van de mond beschadigen. Een tandarts kan deze scherpe plekken vijlen.

Tussen de 6 en 18 maanden ontstaan in 50-75 procent van de gevallen wolfstanden bij een paard. Dit zijn kleine tandjes die net voor of naast de eerste kies liggen. Wolfstanden worden aangetroffen in de tandloze ruimte tussen snijtanden en kiezen, in de bovenkaak van de paardenmond. Wolfstanden zijn worteloverblijfselen van de eerste kies.

Verwar wolfstandjes niet met hengstentanden. Hengstentanden komen pas in het vierde of vijfde levensjaar tevoorschijn en liggen net na de voortanden.

Wolfstanden moeten verwijdert worden omdat er anders later een kans bestaat dat het bit tegen de wolfstand aantikt. Dit is voor een paard erg pijnlijk. Verder hebben de wolfstanden geen functie. Hengstentanden, welke ook kunnen voorkomen bij merries, worden daar in tegen maar zelden verwijdert, tenzij er complicaties optreden. Hengstentanden zijn niet van invloed op het bit.

De meeste paarden wisselen de melktanden tussen een leeftijd van 2,5 en 4,5 jaar. De kiezen worden op een leeftijd van 2,5 en 3,5 jaar gewisseld. De snijtanden worden over het algemeen iets later gewisseld dan de kiezen. Tijdens het wisselen van de kiezen is het erg belangrijk om in de gaten te houden of er geen doppen ontstaan. Een deel van de oude kies blijft dan op de nieuwe kies zitten, hierdoor kunnen problemen ontstaan zoals kaakontstekingen en moeilijk eten. Het is dus zeer belangrijk om bij jonge paarden (tot en met 5 jaar) om de zes maanden een gebitscontrole uit te laten voeren.

Wanneer een paard al zijn tanden en kiezen heeft gewisseld is een jaarlijkse controle meestal meer dan voldoende. Vaak worden er dan eventuele haken en scherpe randen verwijderd en geveild. Dit is echter sterk afhankelijk van het paard en de voeding. Oudere paarden moeten juist weer wat vaker gecontroleerd worden. Dit komt omdat zij een grotere kans hebben op gebitsproblemen. Bij oudere paarden begint de glazuurlaag dunner te worden. Ook worden de tandvlakken smaller, hierdoor kunnen deze paarden minder goed kauwen.

Door de smallere tanden ontstaat er ruimte tussen de tanden. Hier kan voedsel in gaan zitten wat vervolgens gaat rotten en zorgt voor geïrriteerd tandvlees. Ook bestaat er bij deze paarden een kans dat er tanden los gaan zitten, deze loszittende tanden moeten worden verwijderd. Bij oudere paarden wordt een controle van twee keer per jaar geadviseerd. Wanneer een paard last heeft van zijn of haar gebit is een gebitscontrole natuurlijk altijd gewenst.

Wat zijn symptomen van gebitsproblemen?

Symptomen van gebitsproblemen bij een paard zijn zowel te merken tijdens het eten als tijdens het rijden. Ook in de stal kan het paard symptomen vertonen van gebitsproblemen. Een van de symptomen van gebitsproblemen bij een paard zijn het knoeien met krachtvoer.

Het knoeien met ruwvoer komt ook regelmatig voor. Paarden die erg veel last hebben van de tanden maken vaak zelfs proppen van het ruwvoer. Een ander zeer duidelijk symptoom is gewichtsverlies. Paarden met pijn aan de tanden eten veel minder dan voorheen, het eten gaat ook langzamer dan normaal. Er kan ook minder goed gekauwd worden, hierdoor kan het paard niet alle voedingswaarden opnemen uit zijn hooi. Bij onvoldoende gekauwd voedsel kunnen er hele graankorrels of andere onverteerde voedselresten voorkomen in de uitwerpselen.

Paarden die niet goed kauwen hebben een vergrote kans op een verstopte slokdarm of koliek. Wanneer een paard niet goed op zijn eten kauwt kan er voedsel achter de kiezen blijven hangen. Dit kan voor rottende tanden of ontstoken tandvlees zorgen. Dit wordt vaak pas opgemerkt door de rottende geur uit het paard zijn mond. Het drinken van koud water wordt door paarden met een pijnlijk gebit ook vaak gemeden. Dit kan leiden tot uitdroging. Zorg bij paarden met een zeer pijnlijk en slecht gebit dus ook altijd voor lauw drinkwater.

Problemen tijdens het rijden worden vaak niet direct in verband gebracht met een slecht gebit. Toch zijn er veel symptomen welke duiden op een pijnlijke mond. Wanneer een paard, in vergelijking met normaal, veel meer kauwt op het bit kan dit een teken zijn van een pijnlijke mond. Een andere teken is het openen van de mond of de tong over het bit gooien. Door de pijn kan het paard zich ook in een keer anders gedragen dan normaal. Hij kan opstandig worden of de teugeldruk slecht accepteren. Een paard dat tijdens het rijden met het hoofd slaat of het hoofd kantelt heeft vaak last van een pijnlijke mond. Deze paarden willen vaak ook niet graag een hoofdstel om. Druk op de buitenkant van de wang door hoofdstel of bit kan deze pijn veroorzaken.

Paarden die kwijlen tijdens het rijden wordt vaker gezien. Wanneer een paard regelmatig kwijlt zonder bit in zijn mond is een controle door de tandarts noodzakelijk. Ook veel slijm uit neus of ogen kan duiden op gebitsproblemen. Opgezwollen kaken zijn ook een symptoom van een gebitsprobleem.

Waarom krijgt een paard haken?

Het waarom een paard haken krijgt hangt af van voeding en bouw van het gebit. Het gebit van een paard is aangepast aan wat het paard van nature eet. Een paard eet van nature plantaardig, vezelrijk voedsel. De kiezen van een paard zijn een soort maalstenen. De onderkaak van een paard kan een draaiende beweging maken. Hierdoor wordt voedsel tussen de kiezen onder en boven fijngemalen. De tanden en kiezen van paarden groeien hun hele leven door. Ze groeien ongeveer twee millimeter per jaar. Het doorgroeien van de tanden en kiezen is noodzakelijk omdat deze door het malen van voedsel ook constant slijten. Door het ‘welvaartsvoedsel’ wat de paarden van tegenwoordig voorgeschoteld krijgen hebben de kiezen van de paarden te weinig werk. Het voedsel van tegenwoordig hoeft vaak veel minder te worden vermalen. Hierdoor slijten de tanden en kiezen niet goed genoeg. Dit resulteert mede in haken en scherpe randen.

Bij een paard is de bovenkaak breder dan de onderkaak. Hierdoor slijten de kiezen van de bovenkaak meer aan de binnenzijde en kan er een scherpe rand ontstaan aan de buitenzijde. Bij de smallere onderkaak is dit precies andersom. De randen kunnen zelfs zo scherp zijn dat het wangslijmvlies of de tong erdoor beschadigd.

Door het gedeeltelijk slijten ontstaat er een haak op de voorste bovenkies en op de achterste kies van de onderkaak. Deze haken zorgen voor ontzetten veel pijn in de mond. De haken leiden ook tot problemen in het kaakgewricht doordat de beweging in dit gewricht wordt belemmerd.

Welke voeding kan gebitsproblemen voorkomen?

Het antwoord op de vraag welke voeding kan gebitsproblemen voorkomen zit hem met name in ruwvoer en in de manier van voeren. Ruwvoer heeft invloed op het afslijten van de tanden. De kiezen van een paard groeien het grootste gedeelte van zijn leven door. Wanneer een paard kauwt op ruwvoer worden deze tanden langzaam wat afgesleten. Dit zorgt ervoor dat de tanden niet te lang worden en er geen scherpe haken of randen ontstaan.

Met het oog op het gebit is er ook speciaal voer voor oudere paarden op de markt. Dit voer maakt het kauwen juist wat gemakkelijker. Het natmaken van het voer wordt door oudere paarden vaak ook als prettig ervaren omdat oudere paarden harde structuren niet meer goed kunnen vermalen. Het niet goed meer kunnen malen komt doordat bij oudere paarden de kiezen en tanden niet meer goed doorgroeien. Hierdoor kan het zijn dat er kiezen ontbreken of dat de tanden en kiezen niet goed meer op elkaar aansluiten.

Ook de manier van voeren heeft effect op de tanden. Paarden die gevoerd worden vanaf de grond, of paarden die veel in de wei staan, hebben veel minder kans op haken en scherpe randen. Dit komt omdat bij deze paarden de onderkaak zakt als hij eet.

Het hoofd van het paard gaat omlaag wanneer hij eet, vervolgens zakt de onderkaak naar voren, gaat het hoofd omhoog en gaat de onderkaak weer naar achteren. De boven- en onderkaak komen gelijktijdig tegen elkaar aan, hierdoor ontstaat gelijke slijtage aan het gebit. Wanneer je voer vanaf een hooiruif aanbiedt dan komt de bovenkaak net onder de onderkaak omdat de onderkaak niet naar voren zakt. Hierdoor slijten de kiezen niet gelijktijdig en ontstaan er een klein puntje op de eerste bovenste kiezen. Dit puntje is het begin van een haak. Door deze manier van het bewegen van de kaak ontstaat ook op de achterste onderste kiezen gemakkelijk een haak.